Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·met
enkelvoud meervoud
naamwoord gemet gemeten
verkleinwoord gemetje gemetjes
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vlaktemaat’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1181 [1]

Zelfstandig naamwoord

gemet o

  1. (eenheid) een oude oppervlaktemaat van ongeveer 0,4 ha
    • Het woord "gemet" is nu met name bekend van het Zuid-Hollandse eiland Tiengemeten. 

Gangbaarheid

10 % van de Nederlanders;
19 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen