fractielid

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • frac·tie·lid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fractielid fractieleden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

fractielid o

  1. (politiek) iemand die deel uitmaakt van een bepaalde politieke groep binnen een volksvertegenwoordiging
     Binnen regeringsfracties is kadaverdiscipline een vereiste: de coalitie moet op ieder afzonderlijk fractielid kunnen rekenen. Van het prominente Kamerlid tot de onbekende backbencher – iedereen wordt geacht vóór kabinetsbeleid te stemmen.[1]

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Guus Valk & Barbara Rijlaarsdam “De macht van het 76ste Kamerlid” (8 augustus 2018) op nrc.nl