fleuren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fleu·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fleuren
fleurde
gefleurd
zwak -d volledig

Werkwoord

fleuren

  1. onovergankelijk (sport) (schaatssport) schaatsen rijden op een zwierige manier
  2. onovergankelijk (sport) (hengelsport) vissen op grotere vissen met behulp van een fleur
  3. overgankelijk (figuurlijk) iemand lid proberen te maken van een organisatie

Zelfstandig naamwoord

fleuren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord fleur

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Peter Altena “Op zoek naar Cornelis Fleur, de dode roomse schaatser : Berkheij 1812-2012 (3)” (vrijdag 10 augustus 2012) op weyerman.nl
  2.   Weblink bron J. le Francq van Berkhey “Lijkzang in heldendicht, ter nagedagtenis van den beroemden Leydschen schaatsrijder Cornelis Fleur.” (1776)
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be