ertegen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • er·te·gen
Woordherkomst en -opbouw
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     tegen  
 persoonlijk     ertegen  
aanwijz.   nabij     hiertegen  
  veraf     daartegen  
  vragend/betrekk.     waartegen  

Voornaamwoordelijk bijwoord

(scheidbaar)
ertegen

  1. persoonlijk: *tegen+het, tegen+ze:
    • Een remedie ertegen is niet bekend. 

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be