Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dub·bel·tel·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dubbeltelling dubbeltellingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

de dubbeltellingv

  1. de keer dat één zaak of persoon als twee afzonderlijke zaken of personen wordt meegeteld in een telling
     In totaal hield de marechaussee 25 mensen aan. In eerste instantie werd gesproken over 26 aanhoudingen maar er bleek een dubbeltelling bij te zitten, meldt NH Nieuws. De demonstranten zijn verhoord en er is een dossier opgemaakt. Het OM beslist later of ze worden vervolgd.[1]
     Frontex noemt ook een totaal aantal van 1,2 miljoen vluchtelingen dat in de eerste tien maanden van dit jaar de EU is binnengekomen, maar zegt dat daarbij sprake is geweest van dubbeltelling: er zijn vluchtelingen in Griekenland aangekomen die daarna naar het niet-EU-land Macedonië gingen om vervolgens via landen als Hongarije toch weer de EU binnen te komen. Hoeveel dat waren, is niet bekendgemaakt.[2]

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1.   Weblink bron “Arrestanten klimaatprotest Schiphol Plaza vrijgelaten” (Zondag 15 december 2019, 13:05), NOS
  2.   Weblink bron “Slovenië bouwt hek langs grens met Kroatië” (Dinsdag 10 november 2015, 16:52), NOS