• dub·bel·chec·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dubbelchecken
dubbelcheckte
gedubbelcheckt
zwak -t volledig

dubbelchecken

  1. overgankelijk een tweede keer controleren
    • Ik wilde het toch nog wel even dubbelchecken om het zeker te weten.