doorspelen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·spe·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorspelen
speelde door
doorgespeeld
zwak -d volledig

Werkwoord

doorspelen

  1. doorgaan met spelen
    • De kinderen bleven doorspelen ondanks de problemen. 
  2. overdragen aan anderen
    • We moeste de informatie doorspelen aan een aparte afdeling. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be