docente

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·cen·te
enkelvoud meervoud
naamwoord docente docentes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

docente v

  1. (beroep) vrouwelijke docent, vrouwelijke leraar
    • Mijn vrouw is een NT2 -docente die les geeft aan toekomstige hbo-studenten die uit het buitenland komen en het Nederlands onvoldoende machtig zijn. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /dɔtsɛntɛ/
Woordafbreking
  • do·cen·te

Zelfstandig naamwoord

docente

  1. vocatief enkelvoud van docent