dadeloos

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • da·de·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van daad met het achtervoegsel -loos met het invoegsel -e-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dadeloos dadelozer dadeloost
verbogen dadeloze dadelozere dadelooste
partitief dadeloos dadelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

dadeloos

  1. zonder een daad te stellen
Synoniemen

Gangbaarheid

59 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be