coronaal

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • co·ro·naal
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen coronaal
verbogen coronale

Bijvoeglijk naamwoord

coronaal

  1. (anatomie) alsof je het lichaam frontaal aankijkt
  2. (taalkunde) (van een medeklinker:) gearticuleerd met het flexibele voorstuk van de tong

Gangbaarheid

50 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be