clownerie

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • clow·ne·rie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord clownerie clownerieën
verkleinwoord clownerietje clownerietjes

Zelfstandig naamwoord

clownerie v

  1. gedrag, streek als van een potsenmaker

Gangbaarheid

67 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen