buikkramp

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buik·kramp
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buikkramp buikkrampen
verkleinwoord buikkrampje buikkrampjes

Zelfstandig naamwoord

buikkramp v / m

  1. (medisch) kramp in de buik of pijn in de ingewanden

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be