bovenhoek

Nederlands

 
vlag met een ster in de linkerbovenhoek
Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·ven·hoek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bovenhoek bovenhoeken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bovenhoek m [1]

  1. een hoek aan de bovenkant
    • De 25-jarige middenvelder van San Jose Earthquakes gooide er niet alleen een heerlijke solo uit. Zijn afronding was zo mogelijk nog fraaier. Met buitenkantje rechts vond Qazaishvilli, die van 2011 tot en met 2017 meer dan honderd duels speelde voor Vitesse, de bovenhoek.[2] 
    • De eerste doelpoging van de Almeloërs, na dertien minuten, was direct raak. Nadat Brandley Kuwas afgestopt werd bij een counter, nam de aanvaller zelf plaats achter de bal en mikte hij van maar liefst 25 meter snoeihard in de rechter bovenhoek (0-1).[3] 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen