bouwstop


Nederlands

 
bouwstop
Uitspraak
Woordafbreking
  • bouw·stop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bouwstop bouwstops
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bouwstop m

  1. het (tijdelijk) staken van de bouwactiviteiten van een bouwwerk dat nog niet voltooid is
    • De gifbeker is nog lang niet leeg voor het project Viking in Deventer. Na de miljoenenoverschrijdingen van de afgelopen jaren volgt mogelijk nu een bouwstop. [1] 
    • De provincie Noord-Brabant handhaaft de tijdelijke bouwstop voor geitenstallen. Gedeputeerde Staten hebben dat besloten naar aanleiding van nieuw onderzoek, dat bevestigt dat omwonenden van geitenhouderijen een groter risico lopen op longontsteking. [2] 

Gangbaarheid


Verwijzingen