bosperceel


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bos·per·ceel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bosperceel bospercelen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bosperceel o

  1. een perceel dat in het bestemmingsplan aangeduid is voor behoud, ontwikkeling en/of herstel van bos of natuur
     Nikolaj Aleksandrovitsj was vrijgezel, en Aleksandr Aleksandrovitsj was getrouwd met Anna Ivanovna, geboren Krger, dochter van een ijzerfabrikant en eigenaar van verlaten, niet renderende ertsmijnen in een uitgestrekt bosperceel dat hij nabij Joerjatin in de Oeral in bezit had.[1]
     Een paar dagen later meldde ook een 15-jarig meisje zich bij de politie. Zij vertelde dat ze die ochtend in een steegje in Valkenswaard was aangesproken door een jonge man. Hij sloeg en bedreigde haar en dwong haar achter op zijn scooter te stappen. Vervolgens nam hij haar mee naar een bosperceel aan de rand van Valkenswaard en verkrachtte haar.[2]

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Boris Pasternak (vert. Margriet Berg en Marja Wiebes) “Dokter Zjivago” (1957), G.A. van Oorschot  , ISBN 9789028261396
  2.   Weblink bron “15 jaar cel geëist tegen Eindhovenaar voor verkrachten tienermeisjes” (24-09-2020), NOS