bospartij

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bos·par·tij
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bospartij bospartijen
verkleinwoord bospartijtje bospartijtjes

Zelfstandig naamwoord

bospartij v [1]

  1. een hoeveelheid bos
     Alleen was het hier minder vlak - er waren heuvels. Heuvels met bospartijen die een limiet stelden aan hoe ver je kon kijken.[2]
     Toch is dat niet de belangrijkste verhaallijn, zo er al een verhaallijn valt te ontdekken. Eerst worden er drollen aangetroffen in de tuin van de Nola’s, een tuin van enorme afmetingen met een Achterland en bospartijen en al, en dan is er een kat die door Alice liefdevol wordt opgenomen. Brenas noemt ze het beest in wie ze de messias meent te herkennen. Tegelijkertijd geeft mevrouw Van der Sijsjes (ook wat namen betreft geeft Von Bienefeldt blijk van gevoel voor humor) haar kat Lulu als vermist op.[3]

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. SOPHIE GREEN (vert.Els Franci-Ekeler) “De leesclub aan het einde van de wereld” (2019), Uitgeverij De Fontein  , ISBN 9789026144929
  3.   Weblink bron “Die lollige oom Aristide” (28/01 /2011), HP de Tijd