Nederlands

 
gerenoveerde boshut
Uitspraak
Woordafbreking
  • bos·hut
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boshut boshutten
verkleinwoord boshutje boshutjes

Zelfstandig naamwoord

boshut v/m

  1. een hutje in het bos
    • Zelfs de slaap is hierbuiten anders, scherper, zuiverder, of je nu in de boshut ligt of in een van de takkenhutjes die hij meestal zomaar ergens in elkaar zet. Alsof de nachtelijke hemel door hem heen stroomt, denkt hij weleens. [1] 
    • Er is uit die begintijd een kleurenfoto bewaard gebleven: de beide heren voor de bouwvallige boshut. Ze kijken trots en uitdagend in de camera, dik ingepakt tegen de winterkou, ieder met een vermiljoenrode sjaal om de nek, en stralen uit: wij gaan het máken in volkstuincomplex Werensloot. [2] 
    • In een poel onder de bomen zweven zilverkarpers loom door hun onderwaterwereld. Ik lunch in een theehuis onderweg, een soort boshut. Vanuit het raam zie ik de rode poorten, die als vanzelf het stapritme van de pelgrims bepalen. [3] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Knausgard, Ove Engelen vallen langzaam [2015] ISBN 978-90-445-1358-5 pagina 62
  2. Valens, Anton Het compostcirculatieplan [2016] ISBN 978-90-254-4685-7 pagina 60
  3. de Standaard ZATERDAG 28 OKTOBER 2017
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be