bloterik

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blo·te·rik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bloterik bloteriken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bloterik m

  1. (pejoratief) iemand die bloot is
    • De politie pakte de bloterik op wegens overtreding van de wet op openbare zedenschennis. 
  2. in zijn ~: naakt
    • De miss werd gediskwalificeerd omdat ze in haar bloterik in een mannenblad had gestaan. 

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
52 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be