binnenbrengen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·nen·bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
binnenbrengen
bracht binnen
binnengebracht
zwak -cht volledig

Werkwoord

binnenbrengen

  1. van buiten naar binnen vervoeren, van verderweg naar dichterbij vervoeren
    • De boeren brachten de oogst binnen in de schuur voordat het begon te regenen. 
  2. Geld verdienen voor een bedrijf of huishouden
    • De hardwerkende man bracht genoeg geld binnen voor zijn gezin 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be