• bin·nen·bren·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
binnenbrengen
bracht binnen
binnengebracht
zwak -cht volledig

binnenbrengen

  1. van buiten naar binnen vervoeren, van verderweg naar dichterbij vervoeren
    • De boeren brachten de oogst binnen in de schuur voordat het begon te regenen. 
  2. Geld verdienen voor een bedrijf of huishouden
    • De hardwerkende man bracht genoeg geld binnen voor zijn gezin 
96 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]
  1.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be