bijouterie

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·jou·te·rie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bijouterie bijouterieën
verkleinwoord bijouterietje bijouterietjes

Zelfstandig naamwoord

bijouterie v

  1. sieradenwinkel (plaats waar de sieraden worden verkocht)
  2. sieraad
     Van rondslingerende bijouterie maakte ze achteloos een hoopje.[2]
  3. sieradenwerkplaats, (werkplaats waar de sieraden worden gemaakt)
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. bijouterie op website: Etymologiebank.nl
  2. Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be