bejubelen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ju·be·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bejubelen
bejubelde
bejubeld
zwak -d volledig

Werkwoord

bejubelen

  1. overgankelijk iets of iemand uitgebreid prijzen
    • Eers werd hij bejubeld, daarna werd hij verguisd. 
Antoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be