askegel


Nederlands

 
Sigaretten met askegel
Uitspraak
Woordafbreking
  • as·ke·gel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord askegel askegels
verkleinwoord askegeltje askegeltjes

Zelfstandig naamwoord

askegel m

  1. verbrand stuk sigaar of sigaret dat nog niet van de sigaar of sigaret is gevallen
    • Hockney houdt zijn sigaret omhoog, de askegel valt op de grond. ‘Heeft iemand een asbak voor David?’ [1] 

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen