• an·tall
  • Afkomstig van het Middelnederduitse woord  antal zn  met het voorvoegsel an-
Naar frequentie 4024
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   antall     antallet     antall     antalla
antallene  
genitief   antalls     antallets     antalls     antallas
antallenes  

antall, o

  1. aantal
    «Finansministeren framholdt at det bare er et lite antall hus som er fredet etter kulturminneloven.»
    De minister van Financiën benadrukte dat slechts een klein aantal woningen onder de Erfgoedwet valt.

antall

  1. onbepaald onzijdig meervoud van antall