Abkürzung

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Ab·kür·zung

Zelfstandig naamwoord

Abkürzung v

  1. afkorting
    «In der englischen Sprache gibt es viele Abkürzungen
    In de Engelse taal zijn er veel afkortingen.
  2. binnenweg
    «Weil er eine Abkürzung nahm, war er schneller am Ziel.»
    Omdat hij een binnenweg nam, was hij sneller ter plaatse.
Verbuiging