zegging

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zeg·ging
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zegging zeggingen
verkleinwoord zegginkje zegginkjes

Zelfstandig naamwoord

zegging v

  1. het zeggen.

Gangbaarheid

58 % van de Nederlanders;
59 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be