zaaizak

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaai·zak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zaaizak zaaizakken
verkleinwoord zaaizakje zaaizakjes

Zelfstandig naamwoord

zaaizak m/v

  1. een zak die gebruikt wordt om te zaaien
    • Vroeger zaaide men met een zaaizak rond het middel. 

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be