• weer·om·ke·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
weeromkeren
keerde weerom
weeromgekeerd
zwak -d volledig

weeromkeren

  1. ergatief terugkomen, gewoonlijk op cyclische wijze
    • De koekoek was weeromgekeerd uit zijn winterverblijf in Afrika.