uitkleden

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·kle·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitkleden
kleedde uit
uitgekleed
zwak -d volledig

Werkwoord

uitkleden

  1. wederkerend zich ~ de eigen kleding afnemen
    • Hij had zich net uitgekleed om naar bed te gaan. 
     Hij maakte van de gelegenheid gebruik om zich helemaal uit te kleden en keek om zich heen in de heel kleine en heel Engelse slaapkamer waar het raam tochtte, ook al was het dicht.[1]
  2. overgankelijk van kleding ontdoen
    • Zij kleedde haar kindje uit en legde hem in zijn bedje. 
  3. overgankelijk overdrachtelijk iemand financieel zwaar benadelen
    • Hij werd door die woekeraar helemaal uitgekleed. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Blauwe ster” (2016), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628265
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be