Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ty·pist
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van typ, (stam van het werkwoord typen) met het achtervoegsel -ist
enkelvoud meervoud
naamwoord typist typisten
verkleinwoord typistje typistjes

Zelfstandig naamwoord

typist m

  1. (beroep) Iemand die typt, tikker, dactylograaf
    • De kantoorbediende moet een goede typist zijn. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be