topstuk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • top·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord topstuk topstukken
verkleinwoord topstukje topstukjes

Zelfstandig naamwoord

topstuk o

  1. bovenste deel van een gevel
  2. meesterwerk in de kunst
    • De nachtwacht is een van de topstukken van het Rijksmuseum 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be