tolwezen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tol·we·zen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tolwezen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tolwezen o [1]

  1. overheidsdienst die tol heft
    • In geen geval is het Belgische belastingsysteem geïnspireerd door christelijke principes. Als ik iemand iets te veel heb afgenomen, geef ik het hem vierdubbel terug, belooft 'een zekere Zacheüs, hoofdambtenaar bij het tolwezen in het Nieuwe Testament (Lucas 19, 1-10). [2] 
Verwante begrippen


Gangbaarheid

68 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[3]


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Standaard 17/06/2000 door Stefaan Michielsen STAND VAN ZAKEN. Winnaars
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be