thuiswerkplek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • thuis·werk·plek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord thuiswerkplek thuiswerkplekken
verkleinwoord thuiswerkplekje thuiswerkplekjes

Zelfstandig naamwoord

thuiswerkplek v/m

  1. een plek in eigen huis waar men het werk doet
    • De thuiswerkplek mag niet op dezelfde plek zijn waar men zich ontspant om te voorkomen dat men niet tot rust kan komen.