thuistaal

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • thuis·taal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord thuistaal thuistalen
verkleinwoord thuistaaltje thuistaaltjes

Zelfstandig naamwoord

thuistaal v/m

  1. de taal die men thuis spreek
  2. de manier van spreken thuis.
    • In dagelijkse situatie volstaat Dagelijks Algemeen Taalgebruik dat is thuistaal. 

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be