taaltaak

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • taal·taak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord taaltaak taaltaken
verkleinwoord taaltaakje taaltaakjes

Zelfstandig naamwoord

taaltaak v/m

  1. Taak voor een leerling in het taalonderwijs.

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be