strafeis


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • straf·eis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord strafeis strafeisen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

strafeis m

  1. (juridisch) een straf die de aanklager passend vindt in een strafzaak
    • Van Benthem heeft succes met zijn werkwijze in Zeist, waar de vermeende overtreding en strafeis niet door leden van de arbitragecommissie, maar door juristen wordt bekeken en gewogen. Door voor het oog van de juristen in te zoomen op punten en komma’s in de regels, en nadrukkelijk te wijzen vormfouten en tegenstrijdigheden zijn verschillende Feyenoord-spelers al vrijgesproken. [1] 
    • Donderdag gaat de zaak verder. Dan wordt de vrouw gehoord die het OM ziet als initiatiefnemer. Ook mogen de anti-Zwarte Pietdemonstranten als benadeelden dan hun verhaal doen. Vrijdag komt het OM tot een strafeis en zal de verdediging van de Friezen het woord nemen. [2] 
    • De rechtbank in Arnhem heeft vandaag alleen het dossier besproken en zal bepalen of de verdachte voor observatie naar het Pieter Baan Centrum moet. Vanwege een wachtlijst zal de inhoudelijke behandeling daarom pas over een maand of negen zijn. De aanklager zal dan zijn strafeis formuleren. [3] 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen