statafel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·ta·fel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord statafel statafels
verkleinwoord statafeltje statafeltjes

Zelfstandig naamwoord

statafel v/m

  1. (meubel) een hoge tafel waaraan men kan staan
    • De gasten stonden voor de maaltijd te praten aan de statafels waarop bakjes met nootjes stonden. 

Gangbaarheid