stageplek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·ge·plek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stageplek stageplekken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

stageplek v / m

  1. plek waar iemand stage kan lopen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be