spoiler

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spoi·ler
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘constructie aan vliegtuigen en auto's ter vermindering van brandstofverbruik’ voor het eerst aangetroffen in 1968 [1]
  • Van het Engelse spoiler
enkelvoud meervoud
naamwoord spoiler spoilers
verkleinwoord spoilertje spoilertjes

Zelfstandig naamwoord

spoiler m

  1. informatie die de spanning en verrassing kan bederven van een boek of film.
  2. een onderdeel van de auto bedoeld om de aerodynamica te verbeteren, maar ook vaak gebruikt ter versiering van een auto.
  3. een onderdeel van een vliegtuig bedoeld om de luchtstroming over de vleugels te verstoren.
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen