smouten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • smou·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van smout (varkensvet)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
smouten
smoutte
gesmout
zwak -d volledig

Werkwoord

smouten

  1. overgankelijk (werktuigbouwkunde) (techniek) iets insmeren met olie of een vettige vloeistof
Synoniemen

smeren

Verwante begrippen

smout

Gangbaarheid

21 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be