Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • se·cuur
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘zorgvuldig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1672 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen secuur secuurder secuurst
verbogen secure secuurdere secuurste
partitief secuurs secuurders -

Bijvoeglijk naamwoord

secuur

  1. met grote nauwgezetheid iets zeker stellend
    • Hij was de secuurste boekhouder die je ooit gezien hebt. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen