samenbrengen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·men·bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
samenbrengen
bracht samen
samengebracht
zwak -cht volledig

Werkwoord

samenbrengen

  1. overgankelijk zaken of personen van verschillende plaatsen op één plaats verzamelen
    • Alle soorten kraanvogels van de wereld zijn in dit park samengebracht. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be