rustpauze

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rust·pau·ze
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rustpauze rustpauzes
rustpauzen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

rustpauze v / m [1]

  1. pauze om te rusten

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen