poteling


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • po·te·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord poteling potelingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

poteling m [1]

  1. sterke, zwaargebouwde man
Synoniemen

Gangbaarheid

55 % van de Nederlanders;
53 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen