• plint
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voetlijst’ voor het eerst aangetroffen in 1621 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord plint plinten
verkleinwoord plintje plintjes

de plintv / m

  1. een op vloerhoogte tegen een wand aangebrachte lijst, die de overgang tussen vloer en wand moet vormen
    • Door de plint blijft de muur schoon bij het dweilen 
  • het geld klotst tegen de plinten omhoog
    • als je veel geld te besteden hebt
98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]