ontzeilen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·zei·len
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

ontzeilen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontzeilen
ontzeilde
ontzeild
zwak -d volledig
  1. zorgen dat men iets of iemand niet ontmoet
  2. de zeilen van een molen verwijderen
Synoniemen

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen