museumstuk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mu·se·um·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord museumstuk museumstukken
verkleinwoord museumstukje museumstukjes

Zelfstandig naamwoord

museumstuk o [1]

  1. voorwerp dat in een museum tentoongesteld wordt
  2. (schertsend) volkomen uitdetijds voorwerp

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen