middenstuk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mid·den·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord middenstuk middenstukken
verkleinwoord middenstukje middenstukjes

Zelfstandig naamwoord

middenstuk o

  1. het middelste gedeelte van een groter geheel
    • Het middenstuk is soms in één deel, soms in twee delen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be