• mid·dag·post
enkelvoud meervoud
naamwoord middagpost
verkleinwoord

de middagpostv / m [1]

  1. de (brieven)post die in de middaguren bezorgd wordt
     Het nieuws bereikte Rowans House in eerste instantie via Tom Wilson, de postbode, toen deze de middagpost kwam bezorgen.[2]


  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Victoria Holt
    “Vlucht van de zeven zwaluwen” (1992), Saga, ISBN 9788726484892