• mee·ge·no·ten
vervoeging van
meegenieten

meegenoten

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van meegenieten
    • ...dat wij meegenoten. 
    • ...dat jullie meegenoten. 
    • ...dat zij meegenoten. 
  2. voltooid deelwoord van meegenieten