medeweten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • me·de·we·ten
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord medeweten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

medeweten o

  1. voorkennis, weten samen met iemand anders
    • Ik heb deze brief met medeweten van mijn vrouw verstuurd. 
    • Zonder medeweten van mijn baas heb ik de arbeidsinspectie op de hoogte gesteld van de wantoestanden in het bedrijf. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be